ALPHEN EN RIEL

Van de gemeente Alphen en Riel, omvattende de twee gelijknamige kerkdorpen en een aantal verspreid liggende gehuchten, heeft slechts Alphen steeds behoord tot de Baronie van Breda. Riel daarentegen maakte vroeger deel uit van de Meierij van ‘s-Hertogenbosch en ressorteerde onder de dingbank van Hilvarenbeek.
Beide dorpen werden in 1810 tot een gemeente verenigd krachtens een decreet van keizer Napoleon.

Ofschoon Riel dus nooit tot de Baronie heeft behoord, heeft hetgeen hier volgt over de situatie in deze gemeente in 1862 ook op dit dorp betrekking, omdat de voorhanden gegevens begrijpelijkerwijze niet naar kerkdorp te scheiden waren.

Van deze twee kerkdorpen was Riel dicht onder de rook van Tilburg gelegen en op die stad georiënteerd. Alphen echter lag tamelijk geïsoleerd te midden van uitgestrekte heidevelden en bossen. Van verharde wegen locaal zowel als interlocaal was nog geen sprake. Slechts zandwegen verbonden beide dorpen onderling en met Tilburg, Gilze, Chaam en Baarle-Nassau. Zandwegen die vanwege het stuifzand slechts met zeer veel moeite in een berijdbare staat te houden waren, vooral de wegen naar Gilze en Chaam.

Het gemeentebestuur zag zeer wel in, dat betere interlocale verbindingen een levensbelang waren voor een gezonde economische ontwikkeling van deze gemeente, die zijn inwonertal geleidelijk zag dalen. Vooral het feit, dat naburige gemeenten als Chaam en Baarle-Nassau kort te voren door een provinciale klinkerweg met Breda en de Belgische grens verbonden waren, werd in 1861 aanleiding voor het gemeentebestuur om de provincie met klem te verzoeken de wegen van Alphen naar resp. Gilze en Baarle te verharden. Het jaar daarop werd dit verzoek herhaald met het aanbod van gemeentewege om in de aanleg van die weg 10.000 gulden bij te dragen en ditmaal met succes. De enkele jaren later provincie aangelegde klinkerweg van Gilze via Alphen naar Nassau kwam in de loop van 1867 gereed.

Het aantal inwoners van deze gemeente, dat zoals reeds werd opgemerkt een dalende tendens vertoonde, bedroeg in 1862 1778 personen. Tot en met 1858 was er van een geleidelijke stijging sprake geweest, doch vanaf dat jaar (1932 inwoners) daalde het inwonertal tot 1787 in 1870 met een dieptepunt van 1705 in 1866.
Een daling derhalve met ruim 70, veroorzaakt door het vertrek van vrij grote aantallen personen (van 1858-1870 gemiddeld 130 per jaar). Daar stond weliswaar een vestiging van gemiddeld 70 personen jaarlijks tegenover, maar het waren toch vooral de grote jaarlijkse geboorte-overschotten, die een snellere vermindering van het inwonertal afremden.

Die emigratie is een verschijnsel, dat in deze tijd bij meerdere hoofdzakelijk agrarische gemeenten te constateren valt. Er was in het boerenbedrijf niet voldoende gelegenheid om de jaarlijkse aanwas der beroepsbevolking op te vangen. De plaatselijke nijverheid was van vrij geringe betekenis. Er waren slechts 2 steenbakkerijen, (waarin 9 mannen en 2 jongens werk vonden), 6 leerlooierijen (6 mannen en 4 jongens), 2 bierbrouwerijen (4 mannen) en 11 linnenweverijen (10 mannen en 5 jongens). De overige bedrijven waren van meer ambachtelijke aard en telden per bedrijf slechts 1 of 2 knechten. In het geheel waren in al deze bedrijven met inbegrip van de ondernemers zelf en hun gezinsleden 67 mannen en 4 jongens werkzaam.

De toestand in deze fabrieken en ambachtelijke bedrijven heette in 1862 matig tot gunstig, gunstig met name in de steenbakkerijen en de pellenweverij. De steenbakkers, die hun leem op gemeentegronden staken, dienden als vergoeding per mand f 2,50 aan de gemeente te betalen.

Over de arbeidslonen is niets bekend. Deze konden, aldus het gemeenteverslag niet worden opgegeven, omdat onder de opgegeven aantallen arbeiders begrepen waren de ondernemers en ambachtslieden zelf, terwijl het overige personeel bestond uit hun kinderen, leerlingen of vaste knechten. Deze laatste werden met het jaar verhuurd en genoten bij de ondernemers kost en inwoning.

Het waren derhalve vrijwel alle familiebedrijfjes, die in veel gevallen niet eens het enige beroep vormden van de betreffende ondernemers. De opsomming in de registers van patentschuldigen (een rijksbelasting op beroep en bedrijf) geeft in dit opzicht vaak verrassende combinaties van beroepen te zien zoals (telkens één persoon betreffende):

– wagenmaker timmerman – huisschilder – glazenmaker.
– leerlooier (7 kuipen) – schoenmaker- vleeshouwer -loonslachter
– broodbakker – biljardhouder winkelier.
– kuiper vleeshouwer.
– schoenmaker – loonslachter.
– kuiper – waskaarsenmaker – biljardhouder – winkelier.
– wagenmaker – timmerman – glazenmaker – huisschilder – biljard-
houder
– winkelierster broodverkoopster waskaarsenmaakster.
– logementhouder bierbrouwer.
– leerlooier (6 kuipen) – zadelmaker.
– vrachtrijder – koopman.

Veel huisvrouwen oefenden het beroep uit van naaister of winkelierster. De vrouw van het hoofd der school in Riel b.v. dreef een winkel, die van een andere onderwijzer stond als naaister te boek.

Het overgrote deel der arbeiders bestond uit dagloners en dagloonsters, die hoofdzakelijk gedurende het seizoen in de landbouw werkzaam waren.

Het aantal boerenbedrijven was groot (ruw geschat 200) en middelmatig tot klein van omvang. De boeren staan zonder uitzondering als graanbouwer in het bevolkingsregister genoteerd, zodat we mogen aannemen, dat het accent in het boerenbedrijf – landbouw en veeteelt werden hier vrijwel uitsluitend in gemengd bedrijf uitgeoefend- op de eigenlijke landbouw viel.

De verbouw van rogge besloeg met 590 ha ruim de helft van het aanwezige bouwland, waarbij spurrie en knollen als tweede vrucht gezaaid werden. Boekweit met 145 ha, klaver met 137 en aardappelen met 120 ha waren de belangrijkste der overige veldgewassen. Als hooiland waren 450 ha in gebruik.

De toestand van de landbouw werd goed tot zeer goed genoemd. De haver-, eve- (= lichte haver) en aardappeloogst met name kregen dit laatste predikaat. De landbouw ging- aldus het landbouwverslag-steeds vooruit door een betere bemesting der gronden.

De veestapel telde onder meer 1370 runderen (waaronder 80 trekossen), 126 paarden en 950 schapen De 11 bijenhouders wonnen tezamen 1125 kg was en honing.

De prijzen van het rundvee, kalveren en boter bleven het gehele jaar zeer hoog. De meeste kalveren werden na een mesttijd van 6-8 weken verkocht voor de slacht. In varkens was weinig handel; men hield deze hoofdzakelijk voor de eigen consumptie. Er was geen handel in tuinbouwvoortbrengselen en in vruchten en ooft vrijwel geen. Op de twee jaarmarkten (’s maandags na halfvasten en de 3e maandag in november) werd voornamelijk handel gedreven in lakens, baaien, manufacturen en oude klederen. De enige handel met het buitenland bestond in uitvoer van schapen naar België.

Er waren blijkens het patentregister een 14-tal karlieden en vrachtrijders in beide dorpen, doch of er een geregelde wagendienst op de omliggende gemeenten bestond, bleek niet. De 21 kroeghouders, tappers en slijters, welke men hier aantrof deden blijkbaar goede zaken gezien het feit, dat de plaatselijke belasting op het gedistilleerd met een opbrengst van bijna f 500,- de raming met 1/5 overtrof.

De welstand van de bevolking laat zich moeilijk achterhalen, omdat de daarvoor onmisbare kohieren van de hoofdelijke omslag niet bewaard gebleven zijn. Zo er van enige rijkdom sprake is geweest, dan stak deze toch niet in de inrichting der woonhuizen.
In de belasting op het meubilair waren zegge en schrijven slechts 4 personen aangeslagen, allen landbouwers. De kohieren van de rijksbelastingen (grondbelasting, personele belasting en patentrecht) tonen wel aan, dat er van excessieve rijkdom in elk geval geen sprake was.

Dat van de personen, die zich elders vestigden, lang niet allen er in slaagden in hun nieuwe woonplaats een redelijk bestaan op te bouwen zou men kunnen afleiden uit het jaarlijks toenemende aantal, dat elders armlastig werd, maar waarvoor deze gemeente krachtens het in de armenwet geregelde onderstandsdomicilie financieel moest bijdragen. De bedragen, die voor deze elders geälimenteerden van het Burgerlijk Armbestuur werden gevergd, stegen jaarlijks en overtroffen in 1862 zelfs de gewone inkomsten van die instelling. Het gemeentebestuur noemde dit een sprekend bewijs voor de nadelige werking van het restitutiestelsel der armenwet.
Slechts 1/5 van de inkomsten van het Burgerlijk Armbestuur kon daardoor maar ten goede komen aan de in de eigen gemeente woonachtige armen. Deze instelling bedeelde in 1862 50 personen onafgebroken (37 daarvan waren elders gevestigd) en 3 tijdelijk.
Het R.K. parochieel armbestuur te Alphen bedeelde 16 personen onafgebroken en 38 tijdelijk, dat te Riel resp. 2 en 1 persoon. De Diakonie der Ned. Hervormden verleende 3 personen tijdelijk onderstand. De protestantse gemeenschap bestond vrijwel uitsluitend uit het hier gekazerneerde contingent marechaussee en een aantal commiezen.

Door de goede verstandhouding tussen het Burgerlijk- en de kerkelijke armbesturen, die voor zover hun fondsen toelieten bereidwillig hun eigen behoeftige parochianen bleven ondersteunen, konden de uitgaven van eerstgenoemde instelling met betrekking tot de in de gemeente woonachtige armen gering blijven. Geen der kerkelijke armbesturen genoot subsidie uit de gemeentekas.

Stellen we het aantal gezinshoofden en zelfstandige kostwinners ruw geschat op 1/4 der totale bevolking, dan komen we tot de bevinding dat ongeveer 1/5 van hen min of meer voortdurend armlastig was. Dit aantal stemt vrijwel overeen met het aantal daglonersgezinnen, zodat we de sociaal misdeelden – hetgeen reeds mocht worden verondersteld- voornamelijk in deze kategorie zullen hebben te zoeken.

Het aantal kinderen, dat kosteloos onderwijs genoot (50), bedroeg ongeveer 1/5 van het totale aantal schoolgaande kinderen, hetgeen op zich niet ongunstig kan worden genoemd.

Dat de welstand van de andere groeperingen der bevolking, vooral die van de boeren in vergelijking met de andere Baronie-gemeenten heel redelijk mag worden genoemd, blijkt tenslotte uit de aantallen kiesgerechtigden. Er waren hier 78 Kamer- en 127 Raadkiezers. 127 personen betaalden dus f 10,- of meer in de rijks-directe belastingen. Dit aantal is ongeveer gelijk te stellen met ruim 1/3 van het aantal gezinshoofden en zelfstandige kostwinners.

 

J. H. van Mosselveld

Uit: Jaarboek “De Oranjeboom” deel XV, 1962