Bakkers zijn stakkers

Waarschijnlijk in 1904. Alphonsus heeft als leerling-bakker gewerkt in Tilburg. Daar is deze foto ook genomen. Hij is hier ongeveer 22 jaar.

 

Autobiografie van J. van der Blom, geboren in 1879, bakkersjongen


Het was in het jaar 1891, dat schrijver dezes zijn intrede deed in de bakkerij (.. .) .
In een Gelders dorp was een plaats vrij, er werd een bakkersleerling met vrijen kost en inwoning gevraagd. Mijn vader ging er met mij heen en het was al gauw klaar: als ik goed oppaste, zou de vrouw van den bakker mijn goed ook nog wassen, maar geld kon er niet op overschieten, mijn vader moest zijn zoon maar een zakgeldje geven van 50 cent per week, dat was meer dan genoeg !
Dra was de koop gesloten en de zoon ging op reis naar het mooie dorp, dat daar zo schilderachtig lag. Toen hij er aankwam met zijn kist kleren, die hij nodig had, werkte men hem al spoedig naar boven en zei, dat hij maar moest gaan slapen, want het was morgen vroeg dag. Gauw een boterham naar binnen en dan maar naar boven en — het was zomer in Augustus — toen kon de jongen naar zijn bed gaan, maar van slapen kwam niet veel. Hij kriebelde wat rond in zijn bed en was maar wat blij, dat de baas — o neen, men had hem den vorigen dag al ingelicht, dat hij ‘meester’ moest zeggen tegen den patroon en juffrouw’ tegen de meesteres in huis — hem eindelijk riep.
Om vijf uur moest hij op, een hele toer voor hem, die altijd op school was geweest en nooit voor zeven uur uit de veren kwam, maar ja, hij was nu immers bakker! Na zich aangekleed te hebben, ging hij met den meester mee naar de bakkerij achter het huis. Daar werd een hoopje krullen aangemaakt onder den waterketel en de oven werd aangestoken; de turf wilde best branden. Toen het water in den ketel ging zingen, werd er wat koud bij gedaan en nam het mengen een aanvang; dat deed de baas en de jongen mocht zijn krachten enige dagen later eens proberen aan een liter krentebroodjes, maar dat kostte heel wat zweetdroppels, voordat hij daarvan een goed deegje had gemaakt.
Dan werd alles weer stil in de bakkerij; de baas ging in huis wat suffen en kwam soms even kijken, of het deeg al was gerezen en moest worden opgestoten. Na een uurtje volgde het afwegen, wat in het eerst heel lastig ging, want het deeg kleefde aan den jongen zijn vingers vast; vervolgens maakte de baas het brood op en ging alles van een leien dakje; de turf was uitgebrand, het brood lag klaar en ging vlug in den oven; er waren bijna geen pannen bij, die kende men nog niet; maar wel knippen en die moesten alle met de hand worden geknipt. Dan liep de baas het werk wel eens over de handen en mopperde hij op den armen jongen, die nog van niets wist en dacht, dat het zo al heel mooi ging.
Maar als het in den oven zat met vooraan een baksel kadetjes van zo’n veertig stuks, dan moest de jongen zich gauw wassen en aankleden, want dat brood moest worden weggebracht en dat was nu eigenlijk wel het voornaamste werk; in de bakkerij moest hij staande een paar sneden brood wegwerken en dan maar met de mand op sjouw.
Ja, met de mand! Je pakte het brood er zo goed mogelijk in, kleine broodjes boven, want anders werden ze plat, en als het regende dan maar een flinke zak er over, maar wat netjes, want als mevrouw B. er in keek moest die niet zeggen: “Bah! wat een vieze Zwarte zak!’ Dan op een draf aan den loop, want het was haast acht uur, en scheef lopende met de zware mand aan den enen kant kwam je hijgende bij die mevrouw; ze stond al te wachten, de kinderen moesten die kadetten nog mee hebben naar school en ze moesten naar de naburige stad met de trein, dus: ‘Bakker, wat ben je weer laat!’
Na zijn thuiskomst moest de bakkersjongen, soms zelf zo nat als een kat, de kleine kinderen van de baas nog gauw naar school brengen, die wachtten al op hem.
Daarna nam de juffrouw hem de biecht af — “‘Hoeveel brood had je er in? Zit er nog geen kadetje plat gedrukt tussen? Je hebt er toch geen opgegeten?’ Klopte de rekening zowat, dan kwam de boterham op tafel en werd er gauw gegeten; dan maar weer in de bakkerij den gehelen dag tot ’s avonds toe. Er werd wat koekdeeg gemaakt en gebakken werden allerlei kleine koekjes, die in de mode waren, er was altijd wel werk tot den middagmaaltijd, die om één of twee uur werd gehouden. Dien werkte men gauw naar binnen; er was spek en vlees genoeg bij, dat moet gezegd, want er lag een varken op het hok, maar het moest gauw gaan want het werk wachtte al weer.
Op zolder moest het daar neergelegde graan — de rogge en de tarwe — dooreengeschept worden, de zolder moest worden gereinigd van muggen en vlinders, die daar in den zomer in groten getale rond vlogen, de bakkerij moest worden bijgeveegd en de trog schoongewassen en zo werd het al spoedig vijf uur eer de jongen klaar was. Dan mocht hij nog een uurtje omlopen, maar om zes uur stond de boterham gereed en dan wachtte .. . het bed.
Ja, de baas wilde des avonds geen last van dien jongen hebben, dus moest hij maar vroeg naar bed. (. . .) Zo werd je leven op dat dorp een werken en slapen en slapen en werken, totdat de jongen het verdraaide en maar
liever eens in de stad ging kijken. (. . .)
Dat was wat: in zo’n grote stad (Den Haag) daar zou je toch het vak wel grondig kunnen leren. Met grote blijdschap werd de tocht er heen aanvaard, want van zo’n grote stad had je wel eens gehoord, maar gezien had je die nog nooit! Het was avond toen hij er aan kwam en na een boterham te hebben geslikt was het parool: maar gauw naar bed want om twaalf uur is het opstaan. Toen de grote klok van den St. Jacobstoren zijn twaalf slagen had laten weergalmen, klonk dan ook al gauw het parool ‘opstaan’ tot de beide bakkersgasten, die in één bed saamgehurkt lagen. Al geeuwde je nog wat en al was je wat langzaam, de stem van den baas klonk al gauw: ‘Kom je jongens?’
Dan naar beneden, de zoldertrap af, de keuken door en linksom de kelder in. Ja, die kelder, daar heb ik wat gezwoegd en gezweten, twee jaar lang. Hij was lang en breed genoeg, er stonden twee ovens. beide ouderwetse ovens, die gestookt werden met turf of krullen of zaagsel, dat elken dag moest worden aangebracht door den turfboer; in het midden was een grote trog en langs de wanden waren brede banken, waar het deeg op kon liggen. Van voren waren er twee ramen naar de straat, dat wil zeggen als men naar boven keek, zag men door den rooster, waar de mensen overheen liepen, iets van de blauwe lucht. Zo kwam er nog wat daglicht in de bakkerij, waar het meestal donker was en die dan ook zeer veel gas nodig had, wat toen de verlichting was van elke bakkerij. De jongen moest wat voorzichtig zijn en des nachts niet te dicht bij die ramen komen, want verbeeld je er was juist een wet aangenomen, dat jongens beneden de 16 jaar niet voor vijf uur aan het werk mochten gaan. Maar daar kon je je natuurlijk niet aan storen (.. .) Als het zetsel gerezen was, begon het deegmaken. Dat was een bijzonder zwaar werk; het was Friesche beschuit die werd gemaakt. Men trok zijn broek uit — maar men deed dit omdat het zulk zwaar werk was. Meer dan een uur werkten twee of drie man op zo’n deeg; het werd heen en weer geschud als een stuk vastgeknepen stof en o wonder, na enigen tijd ging het vanzelf van je handen en werd het zo droog als een leren lap. Dan werd het geschouwd, men trok het met de vingers uit elkaar en als het dan mooi genoeg bleek, was het deeg klaar. Er ging een zak over en na een poosje kwam het afwegen aan de beurt, dat ook geweldig lang ophield, want elk stuk van vier moest met de hand worden afgewogen.
Maar dat zag de jongen dan al niet meer — als hij zijn zweet had opgedroogd van die deegmakerij, ging hij zich wassen en kleden en dan stond de broodkar al voor hem klaar.
Verbeeld je — een broodkar! Dat was toch heel wat anders dan die ellendige broodmanden van vroeger, een hele verbetering. De hele stad moest hij door, want hier woonde een klant en een kwartier verder wéér een en daar in de Hekkelaan was een winkeltje waar je toch vooral veel beschuit moest afgeven, die verkochten ze voor een prikje weer over. Zo scharrelde je den helen voormiddag op de straat, je leerde Den Haag kennen, tenminste zoals het er toen uitzag — nu weet je er den weg haast niet meer! Thuis gekomen was de beschuit gaar en zag je ze snijden door een der gezellen (. . .) Inmiddels was er achter in de bakkerij al weer wat anders te doen. Daar werd roggebrood gebakken, de trog stond klaar en je moest je kousen uitdoen en je voeten even in het water steken en dan trapten wij lustig in het deeg, dat zodoende heel wat gauwer aaneen kwam dan met de hand, na een half uurtje was het al klaar; ieder brood werd in den vorm met zemels gevormd en weldra stond de bank vol broden. De oven werd uitgehaald en gedweild, soms tweemaal werd een emmer water gehaald voor die dweil, en dan ging het brood er in; als het er in was, bleef de oven een poos open staan om de pap die er boven op gestreken was, de gelegenheid te geven een korst te vormen en dan werden er natte planken gehaald en er boven op gelegd. Vervolgens werd de oven geheel dichtgesmeerd met deeg, elke opening werd goed dicht gemaakt en zo bleef het 24 uur zitten. Zo broeide het gaar en ik geloof, dat dit nog altijd de beste manier is voor het lekkerste roggebrood; als het er uit kwam, was het niet alleen goed gaar, maar zacht en sappig, zoals Fries roggebrood behoort te zijn.
Daarmee was het werk echter nog niet klaar: voor een jongen, die kost en inwoning en nog een gulden in de week verdiende, waarvoor hij nog zijn kleren moest laten wassen, was dit nog niet genoeg. Nu kwam de koek aan de beurt: koekdeeg koken en mengen met een schop, en op platen scheppen, zodat ze bewaard konden blijven in den achterliggenden kelder, die echter zoveel dingen in zich verborg, dat ik er nog met afschrik aan terug denk. Als de platen met koekdeeg er stonden, liepen de ratten er over heen en bleven er wel eens in hangen, zodat wij ze den anderen morgen dood konden slaan, een aardig werkje, maar van dien koek snoepten wij zelfs niet en verkochten ze maar zo spoedig mogelijk. Den gehelen dag was er zo werk aan den winkel en in huis kwamen we niet anders dan om te eten; daarna was het weer werken en gauw naar bed. Op den duur werd dat lopen met die kar uitgebreid van enkele uren tot halve dagen, je schoenen sleten daar verschrikkelijk van; als je ze dan liet maken, betaalde de baas dat wel, maar aan het eind van een jaar, als het uitbetalen heette, schoot er niets over. Wel kreeg je een Sinterklaascadeautje en och, je wou dat wel graag naar huis sturen; ze zeiden daar: ‘Je bent toch bakker en we zien er nooit iets van!’ Tenslotte was het werken en slapen en je bleef zo arm als de mieren.

Bron: J. van der Blom, Een bakkersjongen voor vijftig jaar. Zierikzee (1940), De Bakkersboekjes van Zeelandia, nr. 2, pp. 3-17.