De verteller Jaon Voeten werd op 8 oktober 1885 geboren op De Tommel in Baarle-Hertog. Hij is officieel Belg, maar hij voelt zich op en top Nederlander. Hij was landbouwer, jarenlang bestuurslid van de „Vleesbond” en medewerker van het plaatselijk comité, dat gelden ophaalde voor de Katholieke (Nederlandse) Universiteit. De heer Voeten woont in Huize Sint Janshove In Baarle-Nassau. 

BAARLE-NASSAU — De meest bijzondere gemeente van Nederland: Baarle-Nassau — met 34 stukken België tussen Nederlands gebied — blijkt voor de eigen inwoners net zo’n gewoon dorp geweest te zijn als alle andere. De mensen van Baal waren er zo aan gewend om alles dubbel te hebben: twee kerken, twee raadhuizen, twee burgemeesters, twee kermissen en twee nationaliteiten, dat ze er nauwelijks nog erg in hadden. 

Jaon Voeten (93) is de verteller over Baarle-Nassau rond de eeuwwisseling. En met Jaon hebben we meteen met twéé nationaliteiten te maken. Zijn vader kwam van Meerle en zijn moeder van Poppel en hij had dus Belgische ouders. Hijzelf en zijn oudere broer Harrie werden op De Tommel in Baarle-Hertog geboren en zij waren ook „Bels”. Maar toen Jaon twee maanden was verhuisde het gezin naar Eikelenbosch (naar de boerderij waar de Voetens in totaal meer dan honderd jaar gewoond hebben), dat Nederlands gebied is, en de dààr geboren kinderen (Marie, Louis, Fien en Kee) werden op het „Hollandse raadhuis aangegeven” en werden zo „Nederlanders”. Broer Harrie hoefde niet in (Belgische) militaire dienst omdat hij de oudste zoon was en Jaon hoefde niet omdat ze bij de keuring in Hoogstraten bij „vier man vóór hem” genoeg soldaten voor die keer hadden. Hun „Hollandse” broer Louis moest in Nederlandse dienst en hij werd tijdens de mobilisatie van 1914-’18 opgeroepen. En om de zaak nog ingewikkelder te maken: Belgische Jaon Voeten voelt zich helemaal Nederlands. 

Met de scholen was het ook al zo makkelijk: Je kon kiezen tussen de Hollandse en de „Belze’. Jaon werd naar de Belgische gestuurd, waar meester Stuyck en zijn dochter les gaven. De Belgische school kreeg van meer ouders de voorkeur „omdat de meesters van de Hollandse school te veel dronken”, aldus verklaart Jaon. De Hollandse pastoor zag toch blijkbaar die trek naar de Belgische school niet graag en riep een keer van de preekstoel af ‚dat jongens, die op de Belze school waren, hun communie niet konden doen”. In de toen ontstane consternatie merkte een buurman van de familie Voeten rustig op: „Laat ze maar betijen, het komt wel goed.” Hij had het inderdaad goed gezien. 

Er was ook een Belgische meisjes- en kleuterschool, wat de reden was dat vooral ook veel Nederlandse meisjes naar de Belgische school gingen. Beide scholen stonden aan de Kerkstraat met tussen hen in de winkeltjes van Treeske Slokkers en Stanske Schuurmans. De Hollandse openbare (en gemengde) school stond aan de Stationstraat. Pas vanaf 1917 was er een aparte Nederlandse meisjesschool onder leiding van de Zusters Dominicanessen. 

In die oude tijd waren alle wegen van Baal – behalve de „grote weg” – nog zandwegen, die ’s winters dikwijls onder water stonden. De grote weg van Alphen naar Turnhout, die dwars door Baal gaat, heeft Jaon nooit anders gekend dan belegd met grote keien. 

Behalve het centrum had je, wat Baarle-Nassau betreft, de „uitkanten” Eikelenbosch, Gorpeind, Hoogeind, Reut, Heeschboom en (gedeeltelijk) Loveren. Het Gorpeind hoorde „wat begrafenissen betreft” bij Eikelenbosch. Want ook in Baarle-Nassau‚ gebeurde bij begrafenissen toen alles thuis”, behalve natuurlijk de mis en de begrafenis zelf. En de mensen van Eikelenbosch en Gorpeind hielpen dus daarbij elkaar. 

Ulicoten hoorde toen ook al bij Baarle-Nassau, maar het had al een eigen Kerk en was dus „een zelfstandig dorp”. 

Jaon Voeten, die nu tien jaar in Sint Janshove woont, vertelt, dat er vroeger in de wijde omgeving van zijn tegenwoordige tehuis maar één huis stond: op de hoek van de binnenweg naar Breda. „Sinds die tijd is Baarle-Nassau wel méér dan eens zo groot geworden”, zegt hij. 

Jaon vindt dat de ouwe tijd niet zo best was. „Vooral oude mensen hadden het niet goed. Tegenwoordig heb je van die bejaardenhuizen net als dit hier, waar je helemaal op je eigen bent. Maar vroeger moesten ze ergens bij de kinderen wonen”, zegt hij. „Ze moesten daar verslijten en altijd op een ander zijn.” Hij vertelt van zijn moeder, die dan eens hier een paar maanden, en dan eens dáár anderhalf jaar bleef en dan weer verder trok, en hij vindt dat maar niets. Hij heeft ook te doen met de meisjes van vroeger „die niets mochten”, maar die niet beter wisten en toch „content” waren. Zelfs „vaste stellen” mochten in het donker niet samen over straat: „Je mocht met geen meiske buiten komen ’s avonds”, vertelt Jaon. „Ik heb vier jaar kennis gehad en ik ben al die tijd één keer ’s avonds met haar aangekomen en daar heb ik „veel grommens” voor gehad.” 

„Ik vond dat meisjes toen gewoon „slaven” waren”, zegt Jaon. „Het was toch te gek, dat zo’n meisje nog niet eens met haar vrijer over straat mocht wandelen ’s avonds. Ik heb dat toen ook tegen de pastoor gezegd, maar er waren toen nog een hoop mensen die het zo wel goed vonden. En aan de meisjes werd niets gevraagd: die hadden niks te zeggen. Het enige wat meisjes mochten was een beetje vrijen in de stal — bij het fornuis — als ze de jongen uitlieten. 

Als meisjes toch uit waren geweest „dan kwam in de week de pastoor daar thuis over praten”.  En als de jongens op een boerderij zaten te buurten en op het idee kwamen om te dansen „dan sprong de moeder omhoog en zei: hier wordt niet gedansen,” Voor het buurten gingen de jonge mannen van Baarle-Nassau niet ver: ze gingen voornamelijk naar de „uitkanten”, oftewel de gehuchten rond het eigenlijke dorp. Het niet mogen dansen duurde wel tot in de jaren dertig. Toen Jaon zelf vader was van kinderen op de dansleeftijd mocht er van hem gerust gedanst worden. Zelfs de kinderen van een broer van hem kwamen dansen leren: bij hen thuis kon het niet want hun vader werkte bij de pastoor. 

 

„De geestelijken waren vroeger baas”, zegt Jaon. „Maar de pastoors waren natuurlijk wel allemaal verschillend. Pastoor Rombouts zou nog geen vrouw een hand gegeven hebben.” Belgische pastoors waren trouwens weer anders. Jaon vertelt dat hij wegens ziekte van zijn vrouw, waar de dokters geen raad mee wisten, wel eens naar „de wonderdokter van Beerse” ging. Hij werd daarover door zijn eigen pastoor „zwaar onderhouden”, maar toen hij weer eens in Beerse was sprak de (Belgische) pastoor van Baarle-Hertog hem aan en zei: „Het staat niet goed voor een pastoor om naar een wonderdokter te gaan. Wil jij misschien voortaan mijn medicijnen meebrengen?” En aldus geschiedde.

In zijn lange leven heeft Jaon zes (Hollandse) pastoors meegemaakt. Bij pastoor Kei deed hij zijn communie, maar pastoor Rombouts heeft hem „opgelaaid”. Dat zat zo: na de communie moest je nog verder leren in de catechismus en als je daarmee klaar was deed je weer communie. Die was hetzelfde als de eerste, behalve dat dan „de communicanten tussen de oplaaiers liepen . Na pastoor Rombouts kwam pastoor Peeters, die Jaon en zijn vrouw trouwde. Daarna kwam pastoor Lazeroms, die hun kinderen doopte, weer later pastoor Vekemans, die niet minder dan tweeëndertig jaar pastoor van Baarle-Nassau was, en pastoor Koenraad. En dan de huidige pastoor Van Beek. De naam van pastoor Kei werd kennelijk als „Kaai” uitgesproken, want Jaon vertelt dat men destijds zei: „We hebben ene „kaaie” pastoor en een kreupele koster.” De pastoors van de oude tijd waren erg uit op grote gezinnen. „Wij hadden zes kinderen in tien jaar tijd en dat was eigenlijk al niet genoeg’, vertelt Jaon. 

Voordat Baarle-Nassau zijn stenen kerk kreeg moet het — zoals Jaon van zijn vader hoorde — een „planken” kerk hebben gehad. In die oude tijd was er ook in Baarle-Nassau „niks te verdienen”. Jaon vertelt, dat hij in 1918 als pasgetrouwd man thuis op de boerderij werkte en toen eén gulden per dag verdiende. En dat was werken tot ’s avonds tien uur in die tijd. Toen het eerste kind op komst was kreeg hij een enorme opslag: hij kreeg toen twee gulden per dag. Jongens kregen in die tijd ’s zondags vijfendertig cent „pré” (tractement) en volwassen zonen kregen twee kwartjes. De mensen trouwden in die tijd veel later dan tegenwoordig. 

Jaon denkt niet dat daar een speciale reden voor was en dat het gewoon kwam omdat de meisjes immers altijd thuis zaten en de jongemensen elkaar gewoon niet zo gemakkelijk tegen het lijf liepen.

Van de grote huishoudens van die tijd gingen er altijd wel een paar kinderen „dienen”. Jaon’s eerste salaris bedroeg tweehonderd twaalfeneenhalve gulden per jààr. De „drinkpenning”, die eenmaal per jaar werd gegeven, was daarbij inbegrepen. Later verdiende hij in Ulicoten honderd vijfentachtig gulden en „dat was de grootste huur van heel Ulicoten”.

De boeren van Baal hadden zo’n zes à zeven koeien en ze konden dan „een klein meidje en een kleine knecht houden”. Die verdìenden dan vìjftig of zestig cent per dag. „Dat was maar een beetje’, zegt Jaon, „maar ge verdiende geen van alle nie veul: er was geen geld toen”. En alles was navenant: „Mijn grootvader en mìjn vader moesten destijds voor de boerderij met veertien hectaren tweehonderd vijftig gulden huur per jaar betalen. Er kwam toen ook een boerderij te koop van zestien hectaren en die bracht achtentwintighonderd gulden op. Mijn vader — en ook anderen — waren erop uitgeweest, maar ze wilden ze niet voor dat geld: ze was te slecht.” Nog in de jaren twintig bracht een vet varken van honderd kilo maar achttien gulden op. 

Het was ìn die oude tijd ook niet zo gemakkelijk om varkens vet te krijgen: er was bijna geen meel en meer graan laten groeien ging ook zomaar niet, want er was bijna ook geen kunstmest. Mensen, die geen eigen varken hadden, aten „Amerikaans spek” van achttien cent de kilo, dat „een beetje een vreemde smaak had maar verder toch wel goed was’. Mensen, die wèl spek hadden, „waren de duvel te rijk”. Vroeger werd er in Baarle-Nassau ook veel boekweit geteeld en Jaon vond de dikke pap („de pan op een stoel en wij eromheen’) best lekker. 

Veel koeien werden er in Baal niet gehouden, maar er waren veel kalvermesters. Jaon’s vader bracht jarenlang kalveren van Baal naar Antwerpen: op de laagkar met een bak achterop. Onderweg kostte een borreltje tweeêneenhalve „Belgische cent”. Vader moest het wel ineens opdrinken want het glaasje was rond vanonder en kon dus niet even weggezet worden. ’s Zondags kon vader Voeten bij café Van Hoek (achter de Belgische kerk) gaan informeren of de kalverkoopman die week beesten nodig had. Vanaf Antwerpen bracht hij altijd een zak „guano (Zuidamerikaanse vogelmest) plus het gebeurde geld mee terug. Op een keer werd hij overvallen, maar door zijn „haks” (bijl) rond te slingeren kon hij de aanvallers doen afdruipen. Sinds die tijd had hij geen geld meer bij zich. 

Er waren ook de „Londense kalveren”, die via Max van Tilburg (de kastelein van het tegenwoordige „De Engel’, wiens schoonzoon Nelis Verheyen later dat café overnam) geleverd werden en die geslacht en wel naar Engeland werden vervoerd. De melkfabriek en de „eierbond” werden in 1904 opgericht. De „ondermelk” werd gebruikt voor de kalvermesterij. De Boerenbond moet er al eerder geweest zijn en je kon daar maandelijks je bestellingen aan kunstmest en dergelijke opgeven. 

Echt grote boeren, althans volgens tegenwoordige begrippen, had je in Baal niet. Iemand zei eens: „De „beste boerenzonen” brengen vierduizend gulden „voor hun part” mee.” Tijdens de eerste wereldoorlog waren er „een beetje” Belgische vluchtelingen in Baal. Bij Voeten op de boerderij hadden ze er ook een: een „verver” uit Turnhout. Toen hij een keer thuis ging eten werd hij opgepakt en naar Duitsland gestuurd. Van zijn baas hoorden de Voetens later, dat hij zou vluchten en met de boot via Hoek van Holland naar Nederland zou komen. Ze hebben hem daar per fiets opgehaald en de man bleef verder ongestoord bij Jaon thuis werken. Er waren tijdens de mobilisatie wel veel soldaten in Baarle-Nassau ingekwartierd. Het was vooral „paardenvolk” en bij Jaon op de boerderij waren er wel dertig.

Tussen Baarle-Nassau en het zo dichtbij gelegen België waren altijd wel contacten, maar een echt druk grensverkeer moet er toch niet geweest zijn. De mensen van Baal gingen wel geregeld naar de Alphense markt. Die stond langs de straat in het centrum van dat dorp „en er was van alles te krijgen”. 

Ook gingen de boeren van Baal wel naar de Rijense „beestenmarkt”. De markten van Tilburg hadden blijkbaar geen aantrekkingskracht op de mensen van Baal: „Tilburg was ook veel te ver.” Ook Breda speelt in Jaon’’s verhaal geen rol, behalve dat zijn moeder destijds „met een gerij’ naar het ziekenhuis van Breda ging, waar zij aan haar oog behandeld moest worden. 

Aan de kermis konden de mensen van Baal in de eigen plaats tweemaal per jaar hun hart ophalen. De kermissen waren in juni en oktober en zij waren een gezamenlijk Belgisch-Nederlands vertier. Jaon meent wel, dat de meeste kermisexploitanten uit Holland kwamen en de kermissen stonden ook „op ’t Hollands”: op de Singel. De kinderen kregen nooit veel geld mee naar de kermis. Er waren altijd een mallemolen, een Kop van Jut, schommels en snoepkramen. 

Voor een dokter hoefden de mensen van Baal ook al niet ver: zij hadden immers dokter Goovaerts van Baarle-Hertog. Die was de zoon van een kommies uit Poppel en hij had zelf ook weer een zoon, die later dokter werd in Baal. In die tijd was longontsteking nog een levensgevaarlijke ziekte en Jaon herinnert zich, dat je daartegen „natte doeken om het lijf” kreeg voorgeschreven.

De eerste fiets van Baal was die van Harrie van Summeren, die een looierij had aan de Alphenseweg. De fiets had vóór een heel groot en achter een klein wiel en „er kon niet wijd mee gereden worden”. De burgemeester van Baarle-Nassau was nog niet bereden: hij woonde in Ulicoten en wandelde elke morgen een uur naar zijn werk en ‘savonds weer een uur naar huis terug. Dat was burgemeester Verheyen, die geboren „Ulicootse” was. De familie Voeten schafte later ook een fiets aan en daar moesten de drie zonen samen van doen: om de drie zondagen kon er eentje mee uit. De gebroeders hebben dikwijls op de Chaamseweg geprobeerd hun vader te leren rijden, maar dat zat er niet meer in. De burgemeester van Baarle-Hertog was Van Gilse, die op het kasteel op Loveren woonde. Hij was bevriend met de heer Kimenai, die waarschijnlijk ook „een Bels” was en „zeer deftig”. Samen bezochten zij geregeld de „staminee” van Mieke („Pauwe”) Olieslagers, opzij van de Belgische kerk. Burgemeester Van Gilse was de „pachtheer” van de Voetens. „Je kon op de boerderij doen wat je wilde”, aldus Jaon, „hij was erg gemakkelijk daarmee”. De burgervader had meer van deze pachtboerderijen, evenals dokter Goovaerts. 

Behalve looier Van Summeren was er Michielsen, die een looierij had aan de Chaamseweg. Op de hoek van de Molenbaan was ook nog een looierij. Verder waren er de schoenmakerijen van Brouwers en van Gulickx („aan de statie”), en de sigarenmakerijen van Paul de la Haut en van Leon Verharen. 

De nu zo grote limonadefabrieken van Verheyen waren toen nog niets anders dan een herbergske aan de Chaamseweg, van waaruit met een hondekarke, een kruiwagen of een „fiets-met-zak” de boeren werd langsgereden met (toch al wel) limonade. Het herbergde had een biljart, waarop Jaon het biljarten geleerd heeft.

 

Baal had destijds drie molens: die van Loots op de Turnhoutse weg, van Theeuwes op het Molenheike en die van Van Burgt op de Alphenseweg. 

Café’s had ook Baal ruim voldoende. Behalve die van Olieslagers, Max van Tilburg en Van Hoek, had je o.a. ook die van Loots en „Sellien” (van der Flaas), allebei achter de Belgische kerk, en verderop op de Turnhoutseweg Jantje Wijgerde en (enigszins later) Jaoneke Adriaanse. Dit café had een grote zaal „waar van alles te doen was: bruiloften en begrafenissen (koffiemaaltijden) en zo.” 

Midden op de Singel had je al de pomp, maar volgens Jaon werd die zelden of nooit gebruikt. Samenvattend zegt Jaon van het destijdse Baal: „Het was net lijk nou, maar allemaal in ’t klein.” En bovendien „was alles Hollands met alleen maar wat Belze hoeken erin.” „Plezier moesten de mensen zelf maken”, zegt Jaon, „maar er werd meer gevochten dan tegenwoordig.” Dat vechten gebeurde in de café’s. „Als ze half zat waren en als er een bietje „wrong” (haat) in zat, dan sloegen ze erop”, aldus beschrijft Jaon de situatie. De ruzies „gingen altijd over meisjes .

In het oude Baal deden de „Hollanders” en de „Belzen” ook altijd al alles samen. Maar toch proef je uit het verhaal van Jaon iets als ongenoegen van de „Hollanders” tegenover de „Belzen” „Het moest altijd naar Bels toe”, zegt Jaon. „Als de Belzen iets deden dan lieten ze zich goed betalen, maar als ze wilden, dat de Hollanders iets deden, dan moest het bijna voor niks gebeuren.”

Als de lezers van Jaon Voeten opwindende smokkelverhalen verwacht hebben dan komen ze bedrogen uit: Jaon voelde zelf niks voor smokkelen. „Er werd altijd gesmokkeld natuurlijk”,  zegt Jaon. „In mijn jonge tijd werd er ook niet zo streng opgelet, maar later moest je oppassen. Als ze je pakten ging je „de bak” in. Niet alleman durfde dan ook te smokkelen. Voor het „deurdragen” moest je „astrant” genoeg zijn, of ge moest „rappe kender” hebben die het durfden.” Smokkelen werd daarentegen niet door de kerkelijke autoriteiten verboden: „De pastoor heeft er nooit iets van gezegd”, zegt Jaon. 

Van oudsher gingen er „winkelwaar”, spek, tabak en varkens over de grens. Bij de Baarle-Nassauers bekende mensen uit Zondereigen en Veld („uitkanten” van Baarle-Hertog) lieten weten wat ze wilden hebben. Maar er gingen omgekeerd onder andere ook „perdjes’” naar Tilburg, die vanaf Baal via binnenpaadjes verderop moesten worden geleid, met alle risico’s van dien. Hoe dichter de mensen bij de grens woonden hoe gemakkelijker het smokkelen was. Tijdens de eerste wereldoorlog vonden de Duitsers, die België bezetten, het best als er weer spullen uit Holland kwamen en eenmaal over de grens konden de smokkelaars dan ook gerust eens wat „aansmoren” (er rustig bij gaan zitten) op hun tocht. In het begin zetten sommige smokkelaars de zojuist verdiende frankskes om in Marken, denkend daar een goede slag mee te slaan. Maar in Nederland terug bleken ze er niets mee te kunnen doen, zodat ze erop toegaven. 

Bij het beesten smokkelen, zoals bij voorbeeld naar Ravels, vermeden de smokkelaars met hun kudde natuurlijk liever een tocht over de brug. Ze hadden dan „pekzakken” bij zich, waarmee ze zich in het water drijvend konden houden. De touwen, waar de koeien aan vastzaten, hielden ze bij de oversteek in de hand en aan de overkant gekomen trokken ze de koeien over het riviertje: de beesten konden wèl zwemmen. Bij een dergelijke overtocht werden de smokkelaars een keer gesnapt en werden er enkele kommiezen doodgeschoten. 

Waarschijnlijk hebben ook bij het smokkelen de „Belzen” het meest verdiend, denkt Jaon. En van de Baalse smokkelaars zijn „er sommige wel rijk van geworden, maar de meeste hebben het Beld meteen opgemaakt.” 

Uit: Het Brabant van toen. Tilburg 1979

Ad van den Dries-van der Velden,