Over theehuizen en oorsmeer

Chengdu is, in ieder geval hier in China, bekend om de theehuizen. Het zijn sociale ontmoetingsplaatsen waren mensen elkaar ontmoeten en urenlang blijven kletsen.

Tijdens de Culturele Revolutie werden ze verboden en zijn ze met de grond gelijk gemaakt. Ze zouden een overblijfsel zijn van het decadente, bourgeois verleden. (Lees: Jung Chang’s “Wilde zwanen”)

Nu vindt je ze weer verspreid over de hele stad: naast het wandelpad langs de rivier, bovenin de grote warenhuizen, in de parken en, last but not least, in de boeddhistische tempels. Het zijn meestal grote terrassen, wanordelijk bezaaid met bamboe stoelen en tafels.

Als je een plekje hebt gevonden komt de dienster langs met een kaartje waarop de verschillende soorten thee staan vermeld. Je kiest je favoriete thee en even later krijg je een kopje zonder oor, maar wel met een flink laagje losse theeblaadjes, een schoteltje en een dekseltje. Verder een enorme 2 liter thermoskan met kokend water. Je kunt dus voorlopig vooruit!

Het schoteltje dient om het kopje mee naar je mond te brengen en het dekseltje dient om de thee langer warm te houden en om de theeblaadjes wat weg te kunnen houden als je drinkt.

Op de terrassen lopen mannen rond met in hun rechterhand 2 metalen spateltjes en in hun linkerhand een aantal stokjes met uitgeplozen wattenbolletjes aan het einde.  Ze klepperen de spateltjes tegen elkaar om hun komst aan te kondigen.  De mannen gebruiken dit gereedschap om, tegen een kleine vergoeding, je oren schoon te maken.

Maar aan mijn lijf geen polonaise. D’r komt echt niemand met soeplepels en een paar breinaalden in m’n oren peuteren.